← Terug naar Kennisbank Laadinfrastructuur

Hoeveel laadpunten heb je nodig op een bouwplaats?

Build for Zero · Gepubliceerd · Laatst bijgewerkt

Rij laadpunten op een bouwplaats waar elektrische machines na de werkdag aan de lader staan

Eén elektrische graafmachine laden is geen kunst. Maar zet acht machines, vier bestelbussen en een ploegenrooster op een bouwplaats en de vraag wordt ineens lastig: hoeveel laadpunten zijn er eigenlijk nodig? Te weinig punten betekent stilstaand materieel; te veel betekent onnodige kosten en een zwaardere netaansluiting dan nodig. Het goede nieuws: het aantal laadpunten is gewoon uit te rekenen. Dit artikel laat zien hoe.

Kort antwoord

Het aantal laadpunten bereken je in drie stappen: tel de laadcycli die je machines samen per dag nodig hebben, bepaal het laadvenster (wanneer kán er geladen worden) en deel de cycli door het aantal beurten dat één punt binnen dat venster afwerkt. Vuistregel: met een ruim nachtvenster bedient één AC-punt twee tot drie machines; bij laden in pauzes heb je minder maar snellere DC-punten nodig. Het beschikbare aansluitvermogen bepaalt de verdeling tussen aantal en snelheid.

Aantal e-machines × laadcycli per dag

De basis van de berekening is niet het aantal machines, maar het aantal laadcycli per dag. Twee machines die elk twee keer per dag moeten bijladen, vragen meer van je laadinfrastructuur dan vier machines die op één nachtlading de hele dag draaien.

Breng daarom per machine drie dingen in kaart. Eerst het energieverbruik per werkdag: een elektrische midigraver verbruikt grofweg 40 tot 80 kWh per dag, een grote rupsgraafmachine 150 tot 300 kWh, een elektrische wiellader daar tussenin. Daarna de accucapaciteit: dekt één volle accu de werkdag, of moet er tussendoor worden bijgeladen? En tot slot het inzetrooster: draait de machine elke dag, of staat hij regelmatig stil?

Uit die drie volgt het aantal laadcycli. Een 300 kWh-graafmachine die 250 kWh per dag verbruikt, heeft één volledige laadbeurt per nacht nodig. Een compacte machine met een kleine accu die zwaar wordt ingezet, heeft misschien een nachtlading én een pauzelading nodig — dat zijn twee cycli, waarvan er één binnen een kort venster moet passen.

Tel alle cycli op en noteer per cyclus hoeveel energie erin moet en hoeveel tijd ervoor staat. Dat overzicht is de helft van het werk.

Ploegenrooster en laadvenster

De tweede stap wordt vaak overgeslagen, en dat is precies waar het misgaat: het laadvenster. Laadpunten zijn er niet om machines te laden, maar om machines te laden op momenten dat ze niet werken.

Bij een enkele dagploeg (7.00-16.00 uur) is het venster royaal: zestien uur nacht plus pauzes. In die situatie kan één laadpunt meerdere machines na elkaar bedienen — al vraagt dat wel dat iemand ‘s avonds kabels omsteekt, of dat machines bij de laadpunten geparkeerd worden gerouleerd.

Bij een tweeploegendienst krimpt het venster naar een paar uur per nacht plus de overdracht tussen ploegen. Dezelfde materieelvloot heeft dan méér laadpunten nodig, of snellere: er is simpelweg minder tijd om dezelfde kWh’s te laden.

En bij continu werk — denk aan infraprojecten met nachtelijke buitendienststellingen — draait de logica om: het laadvenster valt overdag, en de vraag wordt of het net dan ruimte heeft en of er personeel is om het laden te organiseren.

De vuistregel: hoe korter het laadvenster, hoe meer de oplossing verschuift van “veel goedkope AC-punten” naar “weinig snelle DC-punten”. Welke laadtechniek daarbij past, lees je in ons overzicht van laadpalen voor de bouwplaats.

Vermogen vs aantal punten

Aantal laadpunten en laadvermogen zijn communicerende vaten — en je netaansluiting bepaalt hoeveel water er in totaal in de vaten past.

Een rekenvoorbeeld maakt dat concreet. Stel: je machines hebben samen 600 kWh per nacht nodig en het venster is 12 uur. Dan moet er gemiddeld 50 kW aan laadvermogen beschikbaar zijn. Dat kan met vijf AC-punten van 11 kW (55 kW), met drie punten van 22 kW (66 kW), of met één DC-lader van 60 kW die machines na elkaar bedient.

Welke variant je kiest, hangt af van drie dingen. Praktisch: hoeveel machines kunnen fysiek bij een punt staan, en wil je ‘s nachts kabels wisselen? Financieel: AC-punten zijn per stuk veel goedkoper dan DC-laders, maar meer punten betekent meer verdeelinfrastructuur. En qua netaansluiting: tien punten die tegelijk vol vermogen trekken, creëren een piek die je aansluiting misschien niet aankan.

Dat laatste is de belangrijkste ontwerpkeuze. Met slim laden (load balancing) verdeel je het beschikbare vermogen over de aangesloten machines, zodat het totaal nooit boven je aansluitcapaciteit uitkomt. Zo kun je met een bescheiden aansluiting toch veel laadpunten plaatsen — de machines laden dan iets langzamer, maar binnen een ruim nachtvenster maakt dat niets uit. Hoe je die piek berekent en bewaakt, staat in ons artikel over piekvermogen berekenen. En voor machines die overdag snel moeten bijladen is snelladen op de bouwplaats het verdiepende artikel.

Voorbeeldberekening

Neem een binnenstedelijk woningbouwproject in de ruwbouwfase met een enkele dagploeg. Het elektrische materieel: één rupsgraafmachine 20 ton (260 kWh accu, verbruik 220 kWh/dag), één wiellader (130 kWh accu, verbruik 100 kWh/dag), twee minigravers (elk 40 kWh accu, verbruik 30 kWh/dag) en drie elektrische bestelbussen (elk zo’n 15 kWh laadbehoefte per dag).

Stap 1 — cycli en energie. De graafmachine heeft één nachtlading van 220 kWh nodig, de wiellader één van 100 kWh, de minigravers elk 30 kWh, de bussen samen 45 kWh. Totaal: 425 kWh per nacht, zeven laadcycli.

Stap 2 — venster. Dagploeg, dus een nachtvenster van ruim 14 uur (17.00-7.00 uur), plus een lunchpauze als reserve.

Stap 3 — punten en vermogen. De graafmachine vraagt gemiddeld 220 kWh ÷ 14 u ≈ 16 kW: een 22 kW AC-punt volstaat, al kiest menig aannemer hier een DC-lader van 50 kW zodat de machine ook in de pauze kan bijladen als het een keer tegenzit. De wiellader kan op een eigen 11 kW-punt (100 kWh ÷ 14 u ≈ 7 kW). De twee minigravers delen één 11 kW-punt: na elkaar laden ze elk in vier uur vol. De drie bussen delen twee 11 kW-punten met een avond- en nachtshift.

Uitkomst: vijf laadpunten (één 22 kW of 50 kW DC, vier 11 kW AC) voor zeven voertuigen, met een gelijktijdige piek van circa 55 kW — ruim binnen een lichte grootverbruikaansluiting. Zonder de berekening was hier al snel “voor elke machine een punt” besteld: acht punten en een fors zwaardere aansluiting.

Elke bouwfase verschuift dit beeld: in de fundering staat er ander materieel dan in de afbouw. Build for Zero rekent de laadbehoefte per fase en per uur door en laat zien hoeveel laadpunten, welk vermogen en welke aansluiting samen de laagste kosten geven — inclusief het effect van slim laden.

Veelgestelde vragen

Hoeveel laadpunten heb ik nodig per elektrische machine?

Zelden één per machine. Het aantal volgt uit de som van laadcycli per dag gedeeld door het aantal cycli dat één punt binnen jouw laadvenster kan draaien. Op een bouwplaats met een nachtvenster van 12 uur kan één AC-punt vaak twee tot drie machines na elkaar bedienen; met snelladen in pauzes heb je juist minder punten met meer vermogen nodig.

Is het beter om meer langzame of minder snelle laadpunten te plaatsen?

Dat hangt af van je laadvenster. Is er een lange rustige nacht, dan zijn meerdere AC-punten (11-22 kW) goedkoper en vriendelijker voor je netaansluiting. Moeten machines tussendoor bijladen omdat één acculading de dag niet dekt, dan is een DC-snellader effectiever dan extra AC-punten.

Wat gebeurt er als ik te weinig laadpunten heb?

Dan ontstaat er een wachtrij: machines staan stil omdat ze wachten op een vrij punt, of het personeel gaat kabels wisselen buiten het rooster om. In de praktijk leidt dat tot niet-volgeladen machines aan het begin van de dag — en dus tot productieverlies dat veel duurder is dan een extra laadpunt.

Moet ik laadpunten meenemen in mijn netaansluitingsaanvraag?

Ja, en wel op basis van gelijktijdigheid. Niet het aantal punten telt, maar het vermogen dat gelijktijdig kan worden gevraagd. Tien AC-punten van 22 kW zijn potentieel 220 kW — maar met slim laden en spreiding is de werkelijke piek vaak minder dan de helft. Die onderbouwing hoort in je aanvraag.

Kan ik laadpunten bijplaatsen tijdens het project?

AC-punten zijn relatief eenvoudig bij te plaatsen zolang je verdeelkast en netaansluiting ruimte hebben. Een extra DC-snellader is een groter beslag op je aansluitvermogen en vraagt vaak een aanpassing van de opstelling. Reken daarom vooraf per bouwfase uit wat je nodig hebt, zodat je infrastructuur meegroeit in plaats van verrast wordt.

Build for Zero is ontwikkeld door Productized samen met BAM.