← Terug naar Kennisbank CO2 & Paris Proof

Paris Proof bouwen: wat het concreet vraagt op de bouwplaats

Build for Zero · Gepubliceerd

Duurzaamheidsmanager en projectleider bekijken een CO2-budgetoverzicht naast een emissiearme bouwplaats

Paris Proof klinkt als een term voor gebouweigenaren en vastgoedbeleggers, maar de definitie raakt inmiddels rechtstreeks aan de bouwplaats. Waar het vroeger vooral ging om het energieverbruik ná oplevering, telt nu ook de CO2 van het bouwproces zelf mee. Dat verandert wat een duurzaamheidsmanager op een bouwproject moet kunnen aantonen.

Kort antwoord

Paris Proof is het streven van DGBC om gebouwen en de bouwsector binnen het CO2-budget van het Klimaatakkoord van Parijs te houden. Het kijkt naar twee sporen: operationele emissies (energieverbruik ná oplevering) en embodied carbon (materiaalgebonden emissies uit productie, transport en bouwproces). Bouwplaatsenergie — diesel voor aggregaten en materieel — valt onder de materiaalgebonden emissies via de bouwprocesmodule van de levenscyclusanalyse. Minder diesel en meer elektrisch materieel verlaagt dus direct de Paris Proof-score van een project, niet pas na oplevering.

Definitie Paris Proof

Paris Proof is een programma van de Dutch Green Building Council (DGBC) dat de vastgoed- en bouwsector helpt binnen het CO2-budget van het Klimaatakkoord van Parijs te blijven. Voor bestaand vastgoed geldt als einddoel Paris Proof in 2040, met tussenstappen op portefeuilleniveau: WEii Zuinig in 2025 en WEii Zeer Zuinig in 2030 (WEii staat voor de energie-intensiteitsindicator die DGBC hanteert).

Inmiddels hebben 125 partijen — beleggers, corporaties en bouwbedrijven — het Paris Proof Commitment ondertekend. Ze verbinden zich aan twee doelen: het energiegebruik van de gebouwde omgeving met tweederde terugbrengen, en bouwen binnen het beschikbare CO2-budget. Voor nieuwbouw geldt sinds 1 januari 2021 een aanvullende opgave: niet alleen het energiegebruik ná oplevering telt, maar ook de emissies uit het bouwproces zelf.

Operationele vs embodied carbon

Het onderscheid tussen deze twee begrippen is de kern van Paris Proof:

Operationele emissies zijn de CO2-uitstoot van het energiegebruik tijdens het gebruik van een gebouw: verwarming, koeling, verlichting, apparatuur. Dit is het spoor waar de meeste energielabels en BENG-normen op sturen.

Embodied carbon, ook wel materiaalgebonden emissies, is de CO2 die vrijkomt bij de productie van bouwmaterialen, het transport ervan en het bouwproces zelf. Dit is minder zichtbaar dan operationele emissies, maar niet minder groot: materiaalgebonden emissies zijn verantwoordelijk voor ongeveer 11% van de totale CO2-uitstoot in Nederland.

DGBC hanteert voor embodied carbon een budgetbenadering: in plaats van per project een norm te stellen, is er een totaal CO2-budget voor de hele Nederlandse bouwopgave — inclusief grond-, weg- en waterbouw — van circa 100 megaton richting 2050. Uit dat budget worden grenswaarden per gebouwfunctie afgeleid, vastgelegd in het DGBC-protocol Paris Proof Materiaalgebonden Emissies. De combinatie van beide sporen — operationeel en materiaalgebonden — noemt DGBC de whole life carbon-benadering: de volledige CO2-voetafdruk van een gebouw, van grondstof tot sloop.

Bouwplaatsenergie en Paris Proof

Dit is waar het voor een duurzaamheidsmanager op een bouwproject concreet wordt. Binnen de levenscyclusanalyse van een gebouw (de EN 15978-systematiek) wordt embodied carbon opgedeeld in modules: A1-A3 voor materiaalproductie, A4 voor transport naar de bouwplaats, en A5 voor het bouwproces zelf — inclusief de energie die je op de bouwplaats verbruikt.

Dat betekent dat diesel voor aggregaten, brandstof voor bouwmaterieel en stroom voor bouwketen en laadpunten niet los staan van Paris Proof, maar er rechtstreeks onderdeel van zijn. Een project dat op de bouwplaats overstapt van diesel naar elektrisch materieel en batterijopslag, verlaagt daarmee direct de A5-emissies — en dus de materiaalgebonden CO2-score van het hele gebouw.

Dit is een andere manier van kijken dan de meeste aannemers gewend zijn. Bouwplaatsenergie werd lange tijd vooral gezien als operationele kostenpost of als onderdeel van de CO2-Prestatieladder-rapportage. Binnen Paris Proof telt het net zo goed mee in de materiaalgebonden CO2-voetafdruk van het opgeleverde gebouw — een cijfer dat opdrachtgevers steeds vaker opvragen, ook los van de Prestatieladder.

Routekaart voor aannemers

Voor wie hiermee aan de slag wil, is het handig om Paris Proof in stappen te vertalen naar de bouwplaats:

  1. Breng je huidige bouwplaatsemissies in kaart. Welk materieel draait op diesel, hoeveel brandstof en stroom verbruik je per fase? Dit is dezelfde data die je ook voor scope 3-emissies en de CO2-Prestatieladder nodig hebt.
  2. Vertaal dat naar de A5-module. Reken de bouwplaatsenergie om naar CO2-equivalenten en zet dat af tegen de grenswaarde die past bij de gebouwfunctie, volgens het DGBC-protocol.
  3. Vergelijk scenario’s. Wat levert de overstap naar elektrisch materieel, een bouwbatterij of een net- in plaats van dieseloplossing op in CO2-reductie?
  4. Neem het op in je aanbieding of EMVI-onderbouwing. Opdrachtgevers die het Paris Proof Commitment hebben ondertekend, vragen steeds vaker om deze cijfers in de tender.
  5. Monitor tijdens de uitvoering. Net als bij de CO2-Prestatieladder is een eenmalige berekening minder waard dan doorlopende data tijdens de bouw.

Met Build for Zero simuleer je de energiebehoefte en emissies van je bouwplaats per fase, en vergelijk je scenario’s — diesel, hybride, batterij, netaansluiting — direct in CO2-termen. Dat levert precies de onderbouwing die je nodig hebt om de A5-bouwprocesemissies van een project te verlagen, en om dat richting opdrachtgevers hard te maken.

Veelgestelde vragen

Wat betekent Paris Proof precies?

Paris Proof is een initiatief van DGBC dat vastgoed en de bouwsector binnen het CO2-budget van het Klimaatakkoord van Parijs wil houden. Voor bestaande gebouwen is het streven Paris Proof in 2040; voor nieuwbouw en verbouw telt ook de CO2 van het bouwproces en materiaalgebruik mee.

Wat is het verschil tussen operationele en embodied carbon?

Operationele emissies zijn de CO2-uitstoot van energiegebruik ná oplevering. Embodied carbon is de CO2 van productie, transport en verwerking van materialen, plus het bouwproces zelf. Paris Proof kijkt naar beide, samen de “whole life carbon” van een gebouw.

Telt bouwplaatsenergie mee in Paris Proof?

Ja. Energie die je op de bouwplaats verbruikt valt in de levenscyclusanalyse onder module A5 (bouwproces), onderdeel van de materiaalgebonden emissies. Minder diesel en meer elektrisch materieel verlaagt dus direct je Paris Proof-score.

Hoeveel CO2-budget is er voor materiaalgebonden emissies in de bouw?

Materiaalgebonden emissies zijn verantwoordelijk voor circa 11% van de totale CO2-uitstoot in Nederland. Voor de volledige Nederlandse bouwopgave, inclusief GWW, is er in de DGBC-budgetbenadering ruimte voor circa 100 megaton embodied CO2 richting 2050.

Moet ik als aannemer al aan Paris Proof voldoen?

Wettelijk verplicht is het nog niet, maar 125 partijen hebben het Paris Proof Commitment ondertekend en steeds meer opdrachtgevers vragen om een whole life carbon-onderbouwing in tenders. Wie nu al met CO2-budgetten kan rekenen, heeft een voorsprong.

Build for Zero is ontwikkeld door Productized samen met BAM — Nederlands grootste bouwbedrijf — als co-developer en pilotpartner.